Er was eens
Het lelijke eendje
H
et arme eendje kon er niet meer tegen en besloot weg te lopen. Hij vloog over de omheining en kwam terecht in een grote plas waar wilde eenden woonden. Daar lag hij de hele nacht, want hij was zo moe en verdrietig. In de ochtend vlogen de wilde eenden op en zagen de nieuwe kameraad. “Wat ben jij voor iemand?” vroegen ze en het eendje draaide zich naar alle kanten en groette zo goed hij kon. De eenden zagen wel dat hij niet een van hen was, maar hij mocht blijven. Daar was het kleine eendje natuurlijk heel blij mee.
Na twee dagen kwamen er twee wilde mannetjesganzen langs. “Hoor eens vriend,” zeiden ze, “je bent zo lelijk, dat we je wel mogen. Wil je meegaan en een trekvogel worden? Dicht hierbij, in een andere plas, zijn lieve wilde ganzen, allemaal wijfjes. Je kunt daar je geluk beproeven, hoe lelijk je ook bent.”
