Er was eens
Hans en Grietje
H
ans en Grietje kwamen dichterbij en zagen dat het huisje van brood was gebouwd, met pannenkoeken bedekt en de vensters van heldere kandijsuiker waren. “Daar kunnen we van eten” zei Hans, “en een kostelijk maal hebben. Ik wil wat van het dak hebben Grietje, eet jij van het venster, dat is zoet.”
Bij het venster riep een fijn stemmetje uit de kamer:
“Knibbel, knabbel, knuisje. Wie knabbelt er aan mijn huisje?”
De kinderen riepen: ”De wind, de wind, dat hemelse kind!”
